De eerste keer dat mijn kameraad er was Vier maanden geleden De dagen plakten aan elkaar met zweet en suiker Daartussen kocht ik een klompje klei En begon te kleien Het naaktmodel dat ik zo goed kende kwam drie uur lang voor me poseren Ik had hem al twee jaar niet meer gezien, maar kende zijn rondingen nog goed Ik had ook mijn trui uitgetrokken en broekspijpen opgerold; de enkels bloot Het daarbij gehouden De ramen stonden open Ik begon zijn gezette torso na te maken Al snel kon ik zijn lichaam alleen nog maar in mijn handen houden En niet meer in model brengen op de tafel, zoals daarvoor En langzaam was het niet meer de koude materie Maar de warme vriendschap Zoals in mijn droom in dezelfde grijze ruimte met dezelfde grote grijze ramen zat ik ook Maar dan twee verdiepingen lager en in iemands huis Met veel mensen tegen de muren leunend en een dekbed zo groot als de vloer over ons heen Tussen het dekbed en de vloer alleen maar Deeg, gek genoeg kneden Tot het in vogeltjes en konijntjes veranderde Het duurde de hele winter Zo ongeveer tot de lente kwam Ik heb nu al zo veel versies van mijn kameraad Van een parachute tot een kiezel Van Aarde Ver Loren Zo heette echt een jongen Er was ook een jongen op een koffer Hij gebruikte het als stoel toen we een gezelschapsspel speelden Hij had de nacht ervoor over me gedroomd, zei die Er was een jongen met een trolley En zijn vriend was een jongen met een tas in de trein Een spoor van bruinharige meisjes achterlatend Ik dacht aan hen en liep over straat Zag een stelletje met opengeragde spijkerbroeken Twee mensen, drie knieën Ik heb nog wel één slaapplek vrij, voor jullie allebei Soms is je bed een eiland of een fort Je maakt je klaar voor zes tot tien uur liggen Tanden schoon Zodat geen bacteriën zich kunnen verspreiden In de tussentijd Kleren zonder ritsen of knopen Kussens en dekens Zand van de voeten geveegd Zweet tussen mijn kiezen En suiker tussen mijn huid

Ik liet zoveel DNA van mezelf achter als ik maar kon. Ik spuugde een extra keer op zijn tandenborstel nadat ik die geleend had en zorgvuldig wikkelde ik mijn gebruikte tampons in wc-papier en stopte ze in de prullenbak. Naast hem in bed prikte ik met mijn vingers in zijn rug en hoopte zo door zijn poriën woorden in zijn stembanden te duwen.

Samen hadden we de muren gemetseld. In T-shirts van PREFAB BETON SYSTEMEN en SPECIALIST IN AFBOUWMATERIALEN stonden we tussen het cement, de molen en de bakstenen. Na twee meter van de eerste muur vroeg hij al waarom er nog geen raam in zat. Hij wilde altijd gelijk overal doorheen kunnen kijken.

Het huis kwam tegen een open ruimte aan te staan, dat nadat er meerdere huizen in de buurt waren gebouwd vanzelf de binnenplaats werd genoemd. Daar was een volière zo groot als de binnenplaats zelf. Dag en nacht vlogen er duiven en roekoe roekoe werd onze anthem.

De duiven deden hem denken aan zijn jeugd. In de grote pauze, tussen het rekenen en tekenen door, fietste hij met zijn buurjongen naar huis. Waar ze de duiven van de buurjongens vader op gingen halen om deze in een picknickmand te stoppen met een theedoek er overheen. Vervolgens namen ze deze mand mee naar de klas en verborgen hem tussen hun benen onder de tafel. “Mag het raam open, meester? Ik heb het zo heet!” En als de leraar dan even niet keek, werd er één voor één een witte duif onder de theedoek vandaan gehaald en door het raam naar huis gestuurd.

De enige drank die gisteravond nog in de koelkast stond, was een peperdure fles champagne. De perfecte drank voor ongemakkelijke gesprekken. Om de boel wat af te blussen keken we een documentaire over kelders in Oostenrijk, waarin een stel ook duiven hield, maar dan onder de grond.

Als ik van de trap naar beneden loop, past er veel meer in de ruimte tussen mijn armen dan op de terugweg. Een tas om mijn schouder, twee boeken geklemd onder mijn oksel, een laptop met een etui en een flesje water wiebelend op de bovenkant. Op de terugweg lijken de twee boeken alleen al te veel. Waar ligt dat aan? Misschien is het de wilskracht om alles beneden te krijgen genoeg om me held te maken in het spelen van tetris met mijn ledematen en bureau-artikelen. Misschien kan me de terugweg gewoon te weinig schelen. Wat zou het als al die spullen nog beneden liggen. Ik ga er toch vandaag niks meer mee doen. Rotzooi is onderdeel van het leven, net als alles wat we kennen onderdeel van het leven is. Op de weg terug schuren mijn ellebogen langs het grove stucwerk.

De herinneringen aan een aantal jaar geleden gegeven in de vorm van kruidenpotjes zoals je ze alleen nog maar ziet in keukens waar niet vaak gekookt wordt. Basilicum, oregano, tijm. Zout en peper, kaneel. Zo zagen ze eruit in 2006 en je kan ze alleen hier nog vinden, in een zomerhuisje in Noord-Holland.

Soms zijn de spullen die je zo goed kent opeens anders voor je. Alsof je ogen voor het eerst scherpstellen en nu pas de ware vormen en kleuren zien. Is die van mij?! Zo heb ik ‘m nog nooit gezien! Die rits, die hoek naar de zijkant, die romige kleur. Vreemd en anders, helemaal nieuw. En opeens kantelen je ogen weer terug en zie je de portemonnee zoals je hem altijd gezien hebt.

Als je negen bent, zijn je ogen blijkbaar voor het eerst in hun volle staat van zijn. Vanaf dan kan je pas echt details zien en diepte op een manier die je nog nooit ervaren hebt. Ik weet nog goed dat ik de woonkamer van mijn ouderlijk huis inliep en zag dat knotsen van het hout in de tafel zaten. Ik vroeg mijn moeder of er wat met de tafel was gebeurd. Ze antwoordde met nee en dat het misschien mijn ogen waren die veranderd waren. Alle spullen die ik kende werden anders. Alsof mijn ogen voor het eerst scherpstelden en nu pas de vormen en kleuren zagen. Is dit van ons?! Is het zo buiten en zo binnen? Zo heb ik het nog nooit gezien! Die tafelpoot, die hoek naar de zijkant, die witte kleur van vergaand lak. Vreemd en anders, helemaal nieuw. En opeens kantelen je ogen alleen af en toe nog terug en zie je de tafel voor één seconde anders dan je hem altijd ziet.

Mijn tassen zijn als grabbelbakken waarin ik en plein public moet grabbelen. Ik moet betalen. En of ik ook nog een bonuskaart heb. Nee ID-kaart laat maar zitten, ik geloof je wel. Oh wacht de bedrijfsleider komt eraan, kan je toch je ID-kaart nog laten zien? En daar glij ik weer met mijn vingertoppen, handpalm, pols en tot slot onderarm naar de onderkant. Geen krantenproppen maar lucht maken mijn spullen onvindbaar. De zucht van de caissière vermengt zich met de lucht en glijdt zo mee diep in mijn tas. Maar toch is het zo dat pennen altijd bij elkaar groeperen in de tassen. Alsof ze elkaar opzoeken op basis van vorm en misschien ook functie. Ik begin aan de buitenkant met het voelen van mijn tas en weet te spullen met mijn tast van elkaar te onderscheiden. Als ik één pen vind, heb ik er meteen drie te pakken. Mijn tas als een ruimte, de wereld in je broekzak.

Soms gebruik ik mijn lichaam als maatstaf voor mijn zijn in een ruimte. Na mijn aanrijding met een tram bijvoorbeeld, kon ik me niet meer herinneren hoe ik was gevallen, maar wel mijn lichaam als bewijsobject gebruiken. Een schaafwond op mijn rechterenkel: ik moet de stoeprand hebben geraakt. Een blauwe plek aan de binnenkant van mijn linker bovenbeen: ik moet met fiets en al op straat zijn gevallen, met mijn fiets nog tussen mijn benen. Ik meet hoe ver ik  kan rijken in mijn tas, hoeveel stappen ik kan zetten rondom het zomerhuisje in Noord-Holland, hoe groot de ruimte tussen mijn armen is als ik van de trap naar beneden loop.

Honderd keer tien vierkante meter. Telkens als ik langs de eindeloze galerij loop tuur ik bij de voordeurraampjes naar binnen. Elke tien vierkante meter, of beter vijfendertig kubieke meter ziet er anders uit. Naargelang bewoner, diens karakter en gebeurtenissen, staan de spullen op de plek waar ze staan en zijn de spullen de spullen die ze zijn. Want dat is uiteindelijk toch wat een huis is. Een plek waar je naasten en spullen zich verzamelen. Mensen en dingen die je hebt gevonden en van jou zijn geworden. Zoals het toe-eigenen van dingen gaat. De broek die toen in de winkel gewoon nog de broek uit de fabriek aan het haakje was en toen langzaam in mijn tas op weg naar huis zich van mij deed worden. Na hem een dag gedragen te hebben, weet ik het zeker; hij is van mij. Zo krijgt hij een plek bij mijn andere kledingstukken die ook langzaam van mij geworden zijn en samen zich mijn kleding noemen. Idem dito voor personen. Tien avonden met lange anekdotes, wat berichtjes heen en weer, een aantal grappen die alleen ik en die ander begrijpen en je hebt er een vriend bij, of op z’n minst een kennis.

Zo ook als ik door de regen fiets en weet dat er een slot is waar mijn sleutel in past en een tandenborstel met mijn speeksel erop in de badkamer ligt. Want hoe pathetisch het ook klinkt, zo voelt het wel. Als ik dan in de trein zit met vertraging op vertraging of een stilstand in een weiland, dan denk ik: Waarom zou ik nou niet uitstappen? Waarom moet ik per se naartoe waar ik naartoe moet? Is die plek die ik relatief beter ken dan de anderen nou echt zo de plek waar ik heen moet gaan? En hoe heeft het kunnen gebeuren dat die plek zich heeft verplaatst? Ook al is het maar twee kilometer en een dagje verhuizen, toch staan mijn spullen nu op een andere plek dan waar ze een aantal maanden geleden stonden. En de reden hiervoor waren niet de muren en het dak zelf, maar iets met mensen en data en contracten en geld. En zo ook voor het samenwonen, het is de plaatst waarvan ik weet: daar ga ik die ander zien. We hoeven niet te bellen of iets af te spreken, als ik maar lang genoeg op de bank blijf zitten, zal hij vanzelf binnenstappen met de woorden ‘hehe’ en ‘eindelijk thuis’.

En zoals ik door de eindeloze galerij loop van de foto’s van een flatgebouw in Hong Kong, waar elke bewoner precies tien vierkante meter heeft, zie ik een hoogslaper links met witte doeken met blauwe bloemen ernaast, gespannen tussen het plafond en de grond, als een stoffige afscheiding. De hoogslaper laat slechts een reling van zich zien maar is toch duidelijk herkenbaar. Midden aan het plafond hangen er een kleerhanger, een groene plastic tas met een kikker erop afgebeeld en een rieten mand. Rechts staat een witte koelkast en daarnaast een tafel met een tv erop. Een man zit in het midden op een leren stoel. En ook hier in de volgende woning staat een hoogslaper, maar laat zich beter zien. Het onderste bed is opgemaakt met een rode sprei en het bovenste ligt vol met potten, pannen en kussens. Achterin staat een tv op een eikenhouten kastje met daarboven een kalender. Rechts is een koelkast met een ventilator die niet aanstaat. In het midden zit een man op een krukje. De kamer daarna is een hele lege kamer. Alleen staan er het frame van een bed tegen de achterste muur en links een stellingkast met een tv erop. De vrouw zit op het bed. Naast haar staat een stoel. In de laatste kamer liggen werkelijk overal stapeltjes kleren, tijdschriften, boeken en cd’s. Ik kan alleen het bovenlichaam van een man en zijn tv zien.

Als een raster zijn alle plattegronden en de vaste herkenningspunten hetzelfde. Overal een kalender, een bed, een lamp, een zitvlak. Ik loop de galerij af en doe de nooduitgang open. Langs de brandtrap verlaat ik het gebouw. Als ik twintig meter verwijderd ben kijk ik om. De afstand van mijn lichaam tot het huis, mijn 1,73 en de wolken boven in de lucht zorgen voor een perfecte compositie. Het gebouw raakt precies die erachter niet. De afgehakte boom rijkt naar de tak van de boom ernaast, maar ze overlappen elkaar nergens. De wolken zijn als een afbakening samen met de witte tegels van het plein ervoor.

De eerste keer dat mijn kameraad er was
Vier maanden geleden
De dagen plakten aan elkaar met zweet en suiker
Daartussen kocht ik een klompje klei
En begon te kleien
Het naaktmodel dat ik zo goed kende kwam drie uur lang voor me poseren
Ik had hem al twee jaar niet meer gezien, maar kende zijn rondingen nog goed
Ik had ook mijn trui uitgetrokken en broekspijpen opgerold; de enkels bloot
Het daarbij gehouden
De ramen stonden open
Ik begon zijn gezette torso na te maken
Al snel kon ik zijn lichaam alleen nog maar in mijn handen houden
En niet meer in model brengen op de tafel, zoals daarvoor
En langzaam was het niet meer de koude materie
Maar de warme vriendschap

Zoals in mijn droom in dezelfde grijze ruimte met dezelfde grote grijze ramen zat ik ook
Maar dan twee verdiepingen lager en in iemands huis
Met veel mensen tegen de muren leunend en een dekbed zo groot als de vloer over ons heen
Tussen het dekbed en de vloer alleen maar
Deeg, gek genoeg
kneden
Tot het in vogeltjes en konijntjes veranderde
Het duurde de hele winter
Zo ongeveer tot de lente kwam

Ik heb nu al zo veel versies van mijn kameraad
Van een parachute tot een kiezel
Van Aarde Ver Loren
Zo heette echt een jongen
Er was ook een jongen op een koffer
Hij gebruikte het als stoel toen we een gezelschapsspel speelden
Hij had de nacht ervoor over me gedroomd, zei die
Er was een jongen met een trolley
En zijn vriend was een jongen met een tas in de trein
Een spoor van bruinharige meisjes achterlatend
Ik dacht aan hen en liep over straat
Zag een stelletje met opengeragde spijkerbroeken
Twee mensen, drie knieën
Ik heb nog wel één slaapplek vrij, voor jullie allebei

Soms is je bed een eiland of een fort
Je maakt je klaar voor zes tot tien uur liggen
Tanden schoon
Zodat geen bacteriën zich kunnen verspreiden
In de tussentijd
Kleren zonder ritsen of knopen
Kussens en dekens
Zand van de voeten geveegd

Zweet tussen mijn kiezen
En suiker tussen mijn huid

 

Een vriendin van mij woont vijf minuten lopen van het station. Het is een studentenhuis midden in een dure buurt met grote huizen en lange lanen met eikenbomen. Als ik een plattegrond zou tekenen van het huis, zou het een soort L-vorm in spiegelbeeld zijn; een rechthoek met een lange steel aan de rechterkant. In de lange steel zitten twee kamers, een badkamer en een keuken. De rechthoek is de woonkamer. Het huis is drie verdiepingen hoog en in de verdiepingen boven de steel bevinden zich de rest van de kamers. Je komt bij de kamers met een trap die vanaf de woonkamer in een vierkant naar boven gaat, waardoor de woonkamer in feite negen meter hoog is.

Het gaat zoals het in een studentenhuis gaat, je studeert, je drinkt, je doet voor het eerst zelf boodschappen, je maakt rommel. Nu was de huisbaas het zat. De woonkamer lag constant vol met lege bierflesjes en de curryvlekken waren niet meer uit de leren banken te schrobben. Hij had het tiental studenten al een aantal keer erop aangesproken, maar het leek niet te helpen. Nu ik laatst weer eens bij deze vriendin op bezoek was en alweer verwonderd over de rare constructie van het huis met de oneindige trap, vertelde ze me wat haar huisbaas van plan was om het probleem met de vieze woonkamer te verhelpen. Hij had besloten om een vierkant te bouwen van MDF en deze in de woonkamer te plaatsen, zodat je simpelweg de ruimte niet meer kon betreden.

Zijn oplossing deed me duizelen. Een kamer mag niet betreden worden, dus de lucht wordt afgezet met hout. Hoe kan zoiets zo bizar, me toch zo enthousiast maken? Waarschijnlijk zal het de huisbaas niet opleveren wat hij voor ogen had, ik zie de kubus al beklad en beklommen, maar dat maakt me niets uit. Ik wil de kubus daar zien staan en zijn interactie met de bewoners vastleggen, als het observeren van dieren in een dierentuin. Kan er nog omheen gelopen worden? Hoe hoog is de constructie? Als de kubus de drie verdiepingen bevat, zal het misschien werken als een beklemmend sculptuur. Als de kubus slechts drie meter wordt, kunnen de bewoners er vanaf de trap opklimmen en zal dit betekenen dat de woonkamer gewoon een verdieping is gestegen, als een podium in het gebouw.